Onbewuste onderlinge strijd.

Het gaat misschien onbewust, maar ik denk zomaar dat iedere moeder zich hier meer dan eens schuldig aan maakt; een onderlinge strijd wiens kind het beste is. Dat is best lastig, want soms is het niet eens zo bedoeld, maar toch ook weer zo logisch. We zijn allemaal zo trots op ons kind, zo ervan overtuigd dat je eigen kind het beste is, in wát hij ook doet. Eigenlijk best grappig, want de eerste drie maanden zijn ze allemaal in 1 ding even goed; baby zijn. Vandaag neem ik jullie mee naar die onderlinge strijd, waar ik mij zelf ook helemaal schuldig aan maak.

Eerlijk is eerlijk; we zijn moeders en we houden allemaal van opscheppen. En dan heb ik het niet over quinoa-zaadjes opscheppen, want zaadjes horen in de grond en niet op je bord. Ben&Jerry ijs opscheppen houden we dan al een stuk meer van, maar wat pas echt voldoening geeft, is opscheppen over alles wat je kind kan. Sommige dingen heb je geeneens invloed op, maar is toch een opschep-momentje. Ik maak me er zelf ook schuldig aan, en eigenlijk vind ik dat af en toe best jammer; het leven is geen strijd, en het moederschap al helemaal niet. Nu kun je om een goed gevoel te krijgen ook wel een hoop Ben & Jerry ijs eten (en nee, ik word niet eens gesponsord door Ben&Jerry, zou eigenlijk wel moeten met deze sluikreclame) maar van te veel B&J ijs wordt je dik. Van opscheppen over je kind niet, dus dat is veel gunstiger voor je dieet.

Afijn, dat opscheppen komt van twee kanten af. Enerzijds ben je inderdaad enorm trots op je kind. In de eerste periode gaat het er vooral om dat hij eet (nouja drinkt), slaapt en poept, maar zelfs daarin kunnen ze uitblinken, zo klein als ze zijn. ‘Die van mij doet het echt super goed op borstvoeding. Die van jou niet? Heb je al geprobeerd om het gekolfd te geven?’. Voor iedere zelfverzekerde moeder is dit niets anders dan een goedbedoeld advies. Helaas ben je net na de bevalling, wanneer je dus die 4 kilo zware baby eruit hebt weten te krijgen en je ineens een gigantische porno-cup hebt gekregen, ook voorzien van een portie hormonen en onzekerheid. En dan kan zo’n opmerking bést verkeerd vallen. Dan zie je hem namelijk niet als goed bedoeld advies, maar lees je hem eerder zo: ‘Die van mij doet het wél goed op borstvoeding. Heb je het überhaupt wel geprobeerd, of ben je gewoon gelijk op de fles over gegaan? Je weet dat je ook kunt kolven?’. Kijk, dit zijn dan wel twee extreme uitersten, maar als je vol van de hormonen zit (soort menstruatie maal 10) hoor en lees je dingen nou eenmaal anders.

En dat gaat daarna niet anders. Het wordt een wedstrijd wie er als eerst met het potje voeding aan de slag mag. Goed, toegegeven, ik ben inderdaad eerder dan de geadviseerde (zie je.. advies!) 4 maanden begonnen met een potje. Maar in mijn verdediging, heb je wel eens geprobeerd te eten met het idee dat er een weeshuis vol puppies naar jouw lepel aan het staren was? Zo voelde het ongeveer om te eten terwijl onze kabouter toekeek, zo’n blik kreeg ik zeg maar. En nee, dat eet echt niet gemakkelijk. Daarna kwam ik echter ook een moeder in m’n Facebook vriendenlijst tegen die in januari moeder was geworden, en in maart kreeg haar kindje al zijn eerste bloemkoolhapje. Vond ik toch wat vlot, want nee, het kindje was niet één januari geboren en de gebeurtenis vond niet plaats op 31 maart… Waarom is me nog steeds een raadsel, want toen ik met oprechte interesse vroeg waarom ze al zo vlot met het hapje begonnen was (hey, het kan altijd op aanraden van een CB of kinderarts hè!) kreeg ik een grote bek terug en dat ik me maar eens met mijn eigen kind moest bemoeien, daar had ik het al druk genoeg mee. Calm your hormones woman! Inmiddels begrijp ik het wel; onzekerheid, hormonen, en toch die innerlijke strijd; alle kindjes om haar heen waren eerder geboren en zaten dus al aan de hapjes. Dat was natuurlijk enorm leuk, en dan ga je daar toch in mee.

En dat wordt alleen maar erger in de fases die daarna komen. Want ze gaan ook ‘zelluf eten’ (lees: je tafel voorzien van een nieuwe structuur), klanken maken, daarna komt het zitten, optrekken, staan, lopen, en tussendoor willen ze nog wel eens kruipen. Al heb je altijd opscheppers die het kruipen overslaan. Dat zijn alleen allemaal dingen waar je geen invloed op hebt. Ja, je kunt je kind stimuleren, maar je kunt ze ook overprikkelen en dan doen ze het nog niet. ‘Heb jij de box alweer weggehaald? Hij stond er net!’ Tja, als hij ligt te gillen als een speenvarken en al het medische is uitgesloten, en hij telkens zit, gaat staan en dingen eruit gooit, ja dan gaat die box weg ja, want die gaat dan ook een beetje zijn nut voorbij. Blijkbaar had ik haast, was niet de bedoeling… Het was echt wel een stuk handiger als hij nog wat langer in de box had gezeten, braaf, zoals ieder kind.

En tja, ons kind liep op zijn eerste verjaardag. Die vond het nodig om op te staan en direct los te lopen. En ik ga het gewoon toegeven; ja, daar ben ik vet trots op. Zonder te pushen, zonder hem te dwingen; hij stond en hij liep. En goed, misschien hielp die lekkere taart en al die lekkere snoepjes ook wel mee, dat zullen we nooit weten, want hij herinnert het zich later toch niet, maar het maakt niet uit; hij liep. Trots als een aap met 7 lullen was ik (zo gaat dat spreekwoord toch?). Oh boy, wat heb ik inmiddels een spijt. Want nu vindt hij het ook nodig om zelf de trap op én af te lopen. Dat ik daarbij drie keer een hartaanval krijg is iets op minder trots op t zijn, dus dat vermelden we ook niet.

En de groeicurve. Laten we het dáár eens over hebben. Een groeicurve is iets wat een heel algemeen gemiddelde is, en toch hechten we er met zijn allen gruwelijk veel waarde aan. Ook zonder groeicurve kunnen we wel begrijpen dat het niet goed is als je kind ineens 4 kilo afvalt of ineens 15 centimeter achterblijft op zijn leeftijdsgenootjes. Daar hebben we geen stom blauw lijntje voor nodig met een lichtblauwe balk erboven en eronder; we zijn moeders met hormonen, geen volslagen achterlijke wezens…
Het is dus zoiets simpels, maar toch hechten we er waarde aan. We raken in paniek als je kind ineens onder het gemiddelde gemiddelde van het gemiddelde komt, scheppen op wanneer hij ineens boven dat gemiddelde gemiddelde van het gemiddelde komt (‘Die van mij zit goed boven zijn curve, je kan wel zien dat ie te eten krijgt hahaha’. Geweldig. Die van mij zit er krap óp de curve en krijgt genoeg te eten voor een compleet weeshuis. Wat doe ik verkeerd?), en dat gemiddelde op die curve is een leidraad.

Wederom is dat ook weer enorm logisch, want er zijn zo weinig dingen die uitgestippeld zijn als je moeder bent, dat je je vastklampt aan de paar richtlijnen die er zijn. Zelfs als dat blauwe lijnen op een groeicurve zijn. Zelfs als dat rechte lijnen die je kleine moet lopen zijn, en ook als dat fijne motoriek-lijnen zijn.

Maar, laten we ook heel eerlijk zijn; onze opschepperitus die we als moeder er gratis bij krijgen, wordt ook wel een beetje gevoed. Ik heb nog geen enkele opa, oma, of beste vriendin horen zeggen ‘zo dan, jij hebt een lelijk kind’, of ‘jeetje, wat is jouw kind traag met lopen zeg, die van mij maakte al koprollen toen ie zijn leeftijd had’. Tuurlijk niet, dat zou onbeschoft zijn. Wel horen we ‘och, wat een vreselijk knap ventje’, en ‘jeetje, wat loopt hij al goed en zo snel al!’, of ‘Wat een goede eter is het toch ook hè, alles gaat er maar in’.  En dat is fijn, enorm fijn, want niks is fijner dan een complimentje krijgen over jouw net-iets-bovengemiddelde kind.

Onbewust scheppen we allemaal graag op. En dat is prima, dat is prachtig, niets vreemds aan. Maar laten we ervoor waken dat het geen wedstrijd wordt. Iedereen is trots op zijn of haar kind, ieder kind groeit en ontwikkelt op zijn eigen manier en tempo en ieder kind is prachtig, ongeacht welke groeicurve hij of zij volgt!

Maar mijn kind is wel het liefste, slimste, en knapste. En heeft het meeste talent.

 

Voor mij dan 😉



Laat je een reactie achter?

Ik ben heel benieuwd naar jouw mening!

%d bloggers liken dit: